Biologie vragen

Ik heb volgende week een toets en ben daarvoor met een aantal CE toetsen over DNA aan het oefenen. Een paar antwoorden begrijp ik niet zo wie kan mij dit uitleggen?
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
DNA komt in verschillende organellen voor. De grootste hoeveelheid DNA bevindt zich in de kern (kDNA), maar het komt ook voor in de mitochondriën (mtDNA) en bij planten in de chloroplasten (cDNA). Het mtDNA en cDNA worden onafhankelijk van het chromosomale kDNA vermenigvuldigd en overgedragen op dochtercellen.
Om slachtoffers bij een ramp te identificeren kan het DNA van het slachtoffer vergeleken worden met dat van (de vermoedelijke) familieleden.

Voor een identificatie aan de hand van mtDNA van een bepaald slachtoffer zijn beschikbaar:
1 een zus;
2 een broer;
3 een zoon van een zus van zijn moeder;
4 een dochter van een zus van zijn vader;
5 een zus van zijn vader;
6 een broer van zijn moeder.

29 Welke van deze familieleden zijn geschikt voor de identificatie van dit slachtoffer aan de hand van het mtDNA? (2p)
A.alleen 1 en 2
B.alleen 1 en 4
C.alleen 2 en 3
D.alleen 1, 2, 3 en 6
E.alleen 1, 2, 5 en 6

Het antwoord hiervan moet D zijn, maar waarom?
------------------------------------------------------------------------------------------------------------
In 1968 ontvingen de onderzoekers Marshall Nirenberg en Gobind Khorana de Nobelprijs voor hun werk over mRNA en de eiwitsynthese. In hun experimenten gebruikten zij onder andere mRNA dat langs kunstmatige weg was gevormd en dat uitsluitend was samengesteld uit afwisselend uracil- en cytosine-nucleotiden (poly[UC]n). Dit mRNA werd toegevoegd aan een celextract waarin translatie mogelijk was. Het polypeptide dat in dit mengsel werd geproduceerd, bestond uit slechts twee verschillende aminozuren die elkaar telkens afwisselden.

8 Welke aminozuren zijn dit geweest?
A.arginine en glutaminezuur
B.arginine en leucine
C.glutaminezuur en lysine
D.leucine en serine
E.lysine en serine

Het antwoord hier moet D zijn, waarom?
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Eh ik denk dat ik het antwoord op de tweede vraag weet maar ik weet het niet zeker…
Er staat dat ze mRna hebben met afwisselend U en C dit wordt vertaald naar tRna en daarna omgezet in aminozuren, aangezien translatie mogelijk is.
Aangezien aminozuren uit drie stukjes bestaan en C en U afwisselen heb je stukjes van CUC en UCU dit wordt vertaald naar tRNa → GAG en AGA en dit wordt weer vertaald naar een aminozuur → CUC en UCU. (vertalen was dus niet nodig maar even voor de duidelijkheid) Leucine kan bestaan uit de codon CUU/C en Serine kan bestaan uit de codon UCU/G dus vandaar dat het antwoord D is.

De eerste is D omdat mitochondrieel DNA altijd via de moeder overerft. Als een eicel en zaadcel fuseren komt het erfelijk materiaal van de zaadcel in de eicel terecht, waar al maternale mitochondriën in zitten. Je kan het mtDNA van het slachtoffer dus niet vergelijken met de vader omdat die zijn mtDNA niet aan het kind doorgeeft. Dat is ook meteen de reden waarom je het niet met familieleden van de vader kan vergelijken. Je kan het wel met zussen/broers van het slachtoffer vergelijken, omdat die ook het mtDNA van dezelfde moeder krijgen. De zoon van de zus van zijn moeder heeft ook het zelfde mtDNA, omdat zijn moeder en zus van zijn moeder beiden hetzelfde mtDNA van de oma hebben gekregen. Als het de zoon van de broer van de moeder zou zijn, dan is het mtDNA weer niet hetzelfde van het slachtoffer, omdat die broer van de moeder niet het mtDNA doorgeeft.

Bedankt voor jullie reacties !!