Auteur Topic: Verhaal: Koningin des Doods.  (gelezen 185 keer)

Oeliebollen

  • *
  • Berichten: 6
    • Bekijk profiel
« Gepost op: 08 maart 2020, 16:14:12 »
Omschrijving

Nemisis werkt als dienstmeid in het kasteel van de koningin des doods, ofwel koningin Dalia. Dalia regeert al een hele lange tijd over het rijk Nova. Nova word getijstart door haar donkere krachten. Haar duivelsheid. De mensen doen wat er gevraagd wordt. Ze volgen haar regels, mocht iemand één van die regels verbreken krijgen ze een flinke straf.
Nemisis is het zat. Ze heeft een flinke woede gecreëerd voor de koningin. Zal ze haar woede de baas blijven? Komt ze ooit uit deze benarde situatie en wat heeft de zoon van Dalia, Calisto,  met haar te maken.
Zal ze het ooit begrijpen?


Oeliebollen

  • *
  • Berichten: 6
    • Bekijk profiel
« Reactie #1 Gepost op: 08 maart 2020, 16:16:36 »
Hoofdstuk 1
Nemisis

Drankjes inschenken voor een groep arrogante, rijke mensen is het favoriete ding wat ik kan bedenken op een zaterdag avond. Met een kan zwarte wijn loop ik rond zonder ook maar een woord te zeggen.
Een man met wit haar en zwarte ogen houd zijn glas omhoog zonder iets te zeggen. Ik moet moeite doen om niet te zuchten en schenk zijn glas vol.
Koningin Dalia zit in haar reusachtige troon. Het straalt kracht uit.Macht.
 “Nemisis,” word er half geroepen. Shit! Ik bedenk me nu dat ik te lang op één plek heb gestaan en ga gauw weer verder met mijn ronde waarna ik weer tegen de muur ga staan.
Het gepraat en gelach word ruw onderbroken doordat de deuren van de grote zaal met een flinke kracht word open gesmeten. Twee wachters slepen een man voort die roepend en trekkend tussen hun in loopt.
“Doorlopen!” zegt één van de wachters kwaad en smijt hem voor de koningin op de grond.
De wachters gaan op één knie zitten, wachtend totdat de koning begint met praten.
“Sta op,” zegt Dalia koel. De wachters gaan recht staan en zetten tegelijk hun voeten wat uit elkaar en hun handen op hun rug. Ze steken hun kin in de lucht. Ze voelen zich meer, ze voelen zich machtig alsof niemand ze zou kunnen raken.
Ik sta bijna te trillen op mijn benen als Dalia opstaat uit haar troon. Ze strijk haar jurk glad en glijd als het waren het trappetje af naar de man toe.
“Wat moet ik hiermee?” zegt ze koel en laat haar blik naar de wachters glijden.
“Deze man werkt in de keuken. Hij heeft proviand gestolen en wilden het naar buiten smokkelen voor de arme mijn koningin.” De wachter die sprak geeft haar een kleine buiging om de eer aan haar te houden.
Ik zie verschillende mensen hun adem inhouden en zachtjes fluisteren. Ze kijken hiernaar alsof het een spelletje is. Alsof deze man niet zou mogen leven. Hun duivels grijnzen zou ik het liefst van hun gezichten willen slaan, maar helaas moet ik me inhouden. Dori staat naast me half te trillen. Zonder opgemerkt te worden laat ik mijn hand heel even over haar arm glijden om haar gerust te stellen.
Ze kijkt me heel kort even aan, maar houd haar blik daarna snel naar voren gericht. We mogen elkaar niet aankijken, aanraken of aanspreken wanneer we bedienen. We moeten ons werk doen. Dat is wat er van ons verwacht word. Werken, ons mond dicht houden en gewoon doen wat er gevraagd word.
Toen ik hier voor het eerst kwam hadden ze me uit mijn huis meegesleept. Ik was kapot en gebroken. Mijn ouders zou ik nooit meer zien en mijn kleine broertje ook niet. Weggerukt uit mijn iets betere leven dan dit.
Ik heb toen die eerste week niet goed geluisterd waardoor ze me in de kerkers hadden opgesloten en me een paar zweepslagen hebben uitgedeeld.
Het was pijnlijk om daarna nog door te gaan, maar ik heb mijn schouders gerecht, een lach op mijn gezicht gezet en ben doorgegaan. Nu zit ik hier al een half jaar en ik snap de regels. Ik weet wat er van mij verwacht word en meer zou ik niet kunnen doen.
De man begint te huilen. Zijn schouders schokken en hij haalt zijn hand door zijn haren.
Dalia kijkt hem aan en ik zie haar ogen zwart worden. Nu zou ik het liefst ook verdwijnen. Ik snap waar die man zijn gedachten vandaan komen maar ikzelf zou het lef niet hebben. Nu niet.
Haar donkere kracht komen uit haar gekronkeld. Haar duivel, haar slang, haar, darkness. Het beweegt met haar mee. Het kruipt naar de grond schuift voorwaarts en voor je het weet klinkt de schreeuw van de man door merg en been. Haar donkere slangen vestigen zich om de man. De mist sluipt zich een weg in zijn oor en dan is het gedaan met de man. Er druipt bloed uit zijn neus en hij zakt dood neer.
Ze trekt de donkere mist terug, zucht even en draait zich dan om. Om daarna doodnormaal weer in haar troon te gaan zitten.
“Gaat u allen vooral verder.” Ze draait haar lege glas om haar vingers en kijkt dan onze kant op.
“Jij daar,” zegt ze en haar vinger priemt mijn kant op. “Vullen.”
Ik schrik op uit mijn gedachten en kijk naar de rij. Dan merk ik dat ze het tegen mij had. Ik had allang weer door de zaal moeten gaan lopen. Met trillende benen loop ik met mijn blik naar de vloer gericht naar haar toe. Bij haar aangekomen houdt ze haar glas op en ik schenk hem vol met de zwarte wijn.
“Wat een show hé?,” vraagt ze lieflijk. Met mijn blik nog steeds op de vloer geef ik haar antwoordt.
 “Ja, mijn koningin,” antwoord ik beleefd waarna ze me gelijk wegwuift.
Zuchtend laat ik me op mijn bed vallen. Mijn voeten doen zeer en mijn hoofdpijn is ook op komen zetten.
Dori laat zichzelf op het andere bed zakken naast mij.
“Ik ben kapot,” mompel ik.
“Vertel mij wat,” zegt Dori. “Het blijft verschrikkelijk om te zien.”
Dori is niet lang na mij in het kasteel aangekomen. We zijn  even oud en gelukkig dus in één kamer gepropt. We hebben een klein wasbakje waar we ons in moeten wassen en een ton om kleding te wassen. Het is niet veel maar we hebben iets. Ik heb gehoord dat sommige meiden alleen een emmer hebben om alles in te wassen. Ik krijg al de rillingen als ik daaraan moet denken. Dat we onszelf en onze kleren met één emmer moeten wassen.
“Kom hier,” zegt ze en ik schuif tegen haar bed aan op de grond. “Ik zal je haar invlechten.” Haar vingers voelen heerlijk in mijn haar wanneer ze mijn witte haren vastpakt om ze in te vlechten.
“Ben je dit niet zat?”vraagt ze zachtjes.
Ze kunnen ons beter maar niet horen anders hebben we grote problemen.
 “Wat denk jezelf,” fluister ik terug. “Natuurlijk ben ik het zat. We zitten hier opgesloten, Dori.”
 “Misschien is er wel een jongen..” begint Dori maar ik kap haar meteen af.
“Dori, jongens zijn alleen maar uit op macht tegenwoordig. Ik krijg niet het gevoel dat jongens of mannen nog iets om de vrouwen geven in dit rijk. Nova is een donker gedeelte van de wereld geworden. Vergeet dat niet, Dori.”
“Ik weet het.” Ik hoor haar zuchten en draai me naar haar om.
De tranen staan in haar ogen, dus ik neem haar in mijn armen en knuffel haar goed.
“Als we een kans krijgen om te ontsnappen. Nemen we die. Jij en ik, Dori,” zeg ik tegen haar. “Jij en ik.”
“Oké,” snikt ze zachtjes.
“Laten we ons even wassen en daarna gaan slapen. Ze zeggen wel dat zondag onze vrije dag is, maar je weet het nooit.” zeg ik tegen haar.
 “Ik ben te moe hiervoor.” Ze trekt een pijnlijk gezicht als ze op haar voeten gaat staan die waarschijnlijk een aantal blaren bevatten.